Tienden: een Bijbels principe

Geld is misschien wel het moeilijkste onderwerp om over te spreken. Ik hoorde laatst iemand zeggen: De portemonnee is over algemeen het laatste gedeelte van een mens dat wedergeboren wordt. Ondanks dat dit bedoeld is als een geintje, zit hier wel een kern van waarheid in.

Belangrijk is om te weten wat de bijbel zegt over tienden. Als je op internet gaat zoeken kun je allerlei meningen vinden, de ene zegt dat het echt iets is van het oude testament en hoort bij de wet en de wet is vervult, dus leven we in vrijheid en daarom bepaal ik zelf wel of ik m’n tienden geef.

De eerste keer dat we het geven van tienden in de bijbel tegenkomen is bij Abraham, in Genesis 14. Wees je bewust dat dit zich afspeelde minimaal 500 jaar voordat de wet kwam. Het volk Israël moest nog ontstaan en zou nog jaren als slaven werken in Egypte voordat de Heer hen vrij zou maken en Zijn wetten zou geven.

En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste. En hij zegende hem en zei: Gezegend zij Abram door God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit. En geloofd zij God, de Allerhoogste, Die overgeleverd heeft uw tegenstanders in uw hand. En Abram gaf hem van alles een tiende deel.” (Genesis 14:18-20)

Hier zien we dat er een man verschijnt aan Abram, zijn naam is Melchizedek. Wie is deze Melchizedek? En wat lezen we hier over Hem? Hij is koning van Salem. Salem betekend vrede. Je zou dus kunnen zeggen dat Hij de Vrede Koning is. Jeruzalem betekend: stad van de vrede.

Hij was priester van God de Allerhoogste. En de naam Melchizedek betekent: Koning van de gerechtigheid. Opvallend is dit: Koning van Salem (vrede) koning van de gerechtigheid en wat brengt deze koning…? Brood en wijn.

In Galaten 3 vers 7-9 lezen we:

Begrijp dan toch dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn. En de Schrift, die voorzag dat God uit het geloof de heidenen zou rechtvaardigen, verkondigde eertijds aan Abraham het Evangelie: In u zullen al de volken gezegend worden. Daarom worden zij die uit het geloof zijn, gezegend samen met de gelovige Abraham.

Er zijn mensen die denken dat Melchizedek een voorafschaduwing is van Christus, maar meer voor de hand liggend is, is Melchizedek Jezus zelf was. Dat Abraham een ontmoeting had met Jezus zelf en dat Jezus hem het Evangelie heeft verteld en met hem avondmaal heeft gevierd. Vervolgens zien we dat Abraham zijn tienden gaf aan Hem.

Misschien vind je het gewaagd dat ik zeg dat Melchizedek Jezus zelf is, als je hier aan twijfelt, wil ik je echt uitdagen om met me mee te zoeken in de bijbel. Laten we naar het Bijbelboek Hebreeën gaan. In Hebreeën wordt er namelijk ook over Melchizedek gesproken.

Deze Melchizedek was namelijk koning van Salem, een priester van de allerhoogste God. Hij ging Abraham tegemoet, toen die terugkeerde na het verslaan van de koningen, en zegende hem. Aan hem gaf Abraham ook van alles het tiende deel. In de eerste plaats was hij – aldus de vertaling van zijn naam – koning van de gerechtigheid en verder was hij ook koning van Salem, dat is koning van de vrede. Zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom kent hij geen begin van dagen en ook geen levenseinde, maar aan de Zoon van God gelijkgemaakt, blijft hij in eeuwigheid priester. Merk nu op hoe groot hij geweest is, iemand aan wie de aartsvader Abraham zelfs een tiende deel van de buit gegeven heeft. Diegenen uit de zonen van Levi die het priesterschap ontvangen, hebben wel volgens de wet de opdracht om tienden te nemen van het volk, dat is van hun broeders, hoewel die ook uit het lichaam van Abraham voortgekomen zijn. Hij echter, die niet van hen afstamt, heeft van Abraham tienden genomen, en hij heeft hem gezegend die de beloften gekregen had. Nu is het ontegenzeglijk zo dat wat minder is, gezegend wordt door wat meer is. En hier nemen sterfelijke mensen tienden, maar daar nam iemand ze van wie getuigd wordt dat hij leeft. En – om zo te zeggen – ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tienden gegeven. Want hij was nog in het lichaam van zijn vader, toen Melchizedek hem tegemoet ging.” (Hebreeën 7:1-10)

Het eerste wat hier opvalt is dat we dezelfde beschrijving vinden als in Genesis: Koning van de vrede, en Koning van de Gerechtigheid. Maar er staat nog meer… Een hoge priester zonder vader, zonder moeder, zonder stamboom, maar aan de Zoon van God gelijk gemaakt, blijft hij in eeuwigheid priester. Van wie kan dit gezegd worden? Gelijk gemaakt aan God, zonder einde, priester tot in eeuwigheid. Dit kan nooit een “aardse” hogepriester zijn geweest, want als je het oude testament leest zie je dat de hoge priesters afkomstig moesten zijn uit de stam van Levi.

De conclusie die we hieruit kunnen trekken is dat Abraham een ontmoeting heeft gehad met Jezus, of iemand die gelijk gemaakt is aan Jezus. Dat laatste lijkt mij onwaarschijnlijk en persoonlijk geloof ik  dat het Jezus zelf was. En vergeet niet dat Abraham meer ontmoetingen heeft gehad met God. Denk aan de verbondssluiting, de mannen die bij hem op bezoek kwamen om te vertellen dat Abraham een kind zou krijgen en over Sodom en Gomorra.

We lezen in Genesis 28 vers 10-22 dat ook Jakob een ontmoeting heeft gehad met God in Bethel. Voor die ontmoeting vertrouwde en wandelde Jakob nog niet met God. Hij bedroog zijn vader en was druk bezig met zijn eerste geboorterecht. Totdat hij in Luz kwam en een ontmoeting had met de levende God. God stelde zich ook voor als de God van Abraham en Izak, z’n vader en z’n opa.

De Heer beloofd Jakob dat Hij met hem zal zijn, en hem zal beschermen, overal waar hij heen gaat. Ik zal u terug brengen in dit land (vers 15). De reactie van Jakob is dat hij God beloofd op Hem te gaan vertrouwen. Hij herhaald eigenlijk wat God tegen hem gezegd heeft in vers 20.

Vervolgens richt hij een steen als gedenkteken op en beloofd God zeker een tiende deel te geven. Waarom beloofd Jacob hier gelijk dat hij God zeker een tiende deel zou geven van alles wat hij van God ontvangt? Ik denk omdat hij dat Abraham ook heeft zien doen. Hij wist dat alles wat hij ontvangt niet zijn eigen verdiensten is, maar dat dit van God ontvangen is, en dat als dank daarvoor hij een tiende aan de Heer mocht offeren.

Wat je hier dus ziet is dat het tiende deel dat Abraham en Jacob gaven, een aanbiddingsoffer is. Om God, de Gever van alles te eren. Het was niet zo dat dat tiende deel voor de armen was, of voor de tempel, nee het was een aanbidding aan God.

Vervolgens zien we dat God jaren later een verbond met Mozes sluit en het volk Israël verder vorm gaat geven. God gaat tussen Zijn volk wonen in de tabernakel, de tent van de ontmoeting en later in de tempel. Hij geeft de wet en stelt het priesterschap in.

Israël was een Theocratie, ‘Theo’ staat voor God en ‘cratie’ betekend macht en kracht (of regeren). Dus Israël was een land waar God de macht heeft. God heeft allerlei ordeningen en bepalingen aan Zijn volk gegeven, en daar zie je ook de vorming van een belasting systeem wat daar om de hoek komt kijken. De Heer stelde 3 vormen van geven in:

Feestoffer. (een tiende deel, Deuteronomium 14:22-27)

Voor de armen (eens in de drie jaar een tiende deel, Deuteronomium 14:22-27)

Aanbidding / tempeldienst (een tiende deel) (Numeri 18:21)

In Deuteronomium 14 vers 22-27 lezen we over het feestoffer. Het is een tiende deel wat gebruikt mag worden, eigenlijk voor je zelf. Dit geld is speciaal voor de feesten, zodat iedereen de feesten kan vieren en er heerlijk van te genieten, en alles tot je te nemen waar je naar verlangt, en zodat er ook genoeg is voor de Levieten. Die feesten mee van jouw deel.

De tienden voor de armen lezen we ook in (Deuteronomium 14:28-29) en (Deuteronomium 26:12). Dit zijn eigenlijk geen tienden, omdat ze elke 3 jaar gegeven moeten worden, dus eigenlijk 3 procent. Deze is bedoeld voor de vreemdelingen, weduwen en wezen.

En zie, aan de nakomelingen van Levi heb Ik alle tienden in Israël als erfelijk bezit gegeven, als vergoeding voor hun dienst, die zij verrichten, de dienst in de tent van de ontmoeting. (Numeri 18:21)

We lezen hier dat God de Levieten vrij stelt van arbeid. Ze krijgen ook geen land toegewezen wat ze moeten bewerken, maar alle anderen stammen moeten tienden geven aan de stam van Levi om de dienst in de tent van de ontmoeting (de tabernakel) en later de tempel dienst te verzorgen.

Wat we zien in de bijbel is dat het volk Israël, zich vaak niet hield aan het geven van tienden en offers. Dit terwijl het voor God heel belangrijk is. Wanneer het volk zijn tienden niet geeft, kan de tempeldienst niet draaien. De Levieten werden genoodzaakt voor hun eigen eten en het onderhoud voor hun gezin te gaan zorgen, en de tempeldienst verslofte. Vergis je niet wat de tempeldienst in hield destijds. In 1 Kronieken 23 kun je lezen wat de taken van de Levieten waren:

Er waren 38.000 mannen van 30 jaar en ouder die ingezet werden:

  • 24.000 mannen voor het toezicht houden op het werk in de tempel van de Heer
  • 6.000 waren opzieners en rechters
  • 4.000 mannen waren de poortwachters
  • 4.000 mannen muzikanten.

Daarnaast stelde David in dat alle mannen vanaf 20 jaar ook moesten helpen in de tempel, hun taak was:

  • Toezicht houden op de pleinen en de kamers
  • Alles schoon maken
  • Zorgen voor de heilige broden
  • En elke morgen en avond moesten ze klaar staan om de Heer te prijzen

Kun je voorstellen hoe indrukwekkend dat moet geweest zijn? God wil Zijn grootheid en macht kenbaar maken aan Zijn eigen volk en aan de volken er omheen. God’s plan met Israël was om een licht voor de volken te zijn. Zodat het een land zou zijn waar God de Koning was, anders dan andere landen, zodat de wereld kon zien dat er een Levende God is.

Israël faalde op vele terreinen. Ook met het geven van tienden. We lezen in (Maleachi 3:6-12) dat God zegt dat Israël Hem beroofd. Dat ze van Hem stelen, omdat ze niet hun tienden geven en dat ze daardoor door een vloek zijn getroffen. God zelf stuurt hier dus een vloek over Zijn eigen volk, omdat ze het nalaten om 10 procent terug te geven van hetgeen ze van God hadden ontvangen.

God daagt Zijn eigen volk ook uit. En zegt zelfs letterlijk, beproef Me maar. Stel Me maar op de proef, als u uw tienden geeft zal Ik de vensters van de hemel voor u openen, zegen over u uitgieten, zodat er geen schuren genoeg zullen zijn. Overal lees je dat je God niet mag verzoeken, maar als het gaat om tienden, zegt God beproef Mij maar. Check maar of Ik te vertrouwen ben…

De vraag is, kunnen we deze belofte nog steeds toe eigenen? Het geven van tienden mogen we niet zien als een investeringsmodel, als wij onze tienden geven, zal God ons zegenen met meer dan we gegeven hebben. Als onze motivatie van het geven, ontvangen is, geven we niet omdat we God de eer willen geven, maar zijn onze motieven egoïstisch. Tienden geven we uit liefde, dankbaarheid en ontzag voor Hem die alle eer en glorie waard is.

Ik geloof dat we dit principe van God testen niet meer mogen toepassen. Maar we zien hier wel Gods karakter. En dat karakter is dat als we naar Gods huis omkijken, zal Hij ook naar ons huis omkijken. Ook in het nieuwe testament zegt God dat Hij de blijmoedige gever lief heeft. Het vrijgevig zijn komt dan ook uit je relatie met Jezus die Zichzelf voor ons gegeven heeft. En in Lukas 6 vers 38 zegt Jezus, Geef en u zal gegeven worden. Het is goed om je te realiseren dat de tempel er niet meer is en ook geen Levitische priester klasse. Alle gelovigen zijn nu priesters en ons lichaam is de tempel van de Heilige Geest1. Toch wordt de gemeente ook een tempel genoemd2. Er is dan ook geen vloek op diegene die geen tiende geven of een super extra zegen op hen die dat wel doen.

Jezus is gekomen, daardoor leven we niet meer onder de wet. Jezus is niet gekomen om de wet af te schaffen, maar om deze te vervullen. Doordat de wet vervult is, is deze in ons hart geschreven, omdat we de Heilige Geest hebben ontvangen. Ik wil de nadrukken dat de wet niet weg is, sterker als je de bergrede leest, dan zie je juist dat Jezus de standaard veel hoger legt. Zo is het ook met onze financiën. In het oude testament mocht je 90% van wat God aan de mensen gaf houden, in het nieuwe testament lezen we dat alles van de Heer is.

En allen die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk. En zij verkochten hun bezittingen en eigendommen en verdeelden die onder allen, naar dat ieder nodig had. (Handelingen 2:44-45)

Abraham en Jacob gaven hun tienden na een ontmoeting met God, maar hier zien we dat mensen alles gaven voor het Koninkrijk.

Zo kan dan ieder van u die niet alles wat hij heeft, achterlaat, geen discipel van Mij zijn. (Lukas 14:33)

Nu zou je kunnen zeggen, het is niet meer nodig om tienden te geven, want wij hebben geen tempel waar God in woont en waar de Levieten moeten dienen. Dat is natuurlijk waar, God woont niet meer in een tempel, want Hij woont in ons hart. Het koninkrijk, is daar waar Jezus koning is.

Terug naar Hebreeën 7. Wat hebben we gezien. Abraham gaf zijn tienden aan Melchizedek, de eeuwige hogepriester en vrede koning. In de tijd van het oude testament werden de tienden gegeven aan de Levieten (de priesters). En dan lezen we in vers 6-8:

“Hij echter, die niet van hen afstamt, heeft van Abraham tienden genomen, en hij heeft hem gezegend die de beloften gekregen had. Nu is het ontegenzeglijk zo dat wat minder is, gezegend wordt door wat meer is. En hier nemen sterfelijke mensen tienden, maar daar nam iemand ze van wie getuigd wordt dat hij leeft.”  

En hier nemen sterfelijke mensen tienden, maar daar nam iemand ze van wie getuigd wordt dat hij leeft. En van wie wordt er getuigd dat hij leeft? Wie is de eeuwige hogepriester? JEZUS!

Als wij onze tienden geven aan de gemeente, dan geven we niet onze tienden niet aan Living Waters, NEE, we geven onze tienden aan Jezus. De gemeente is Zijn lichaam en wij zijn daar onderdeel van, omdat we in HEM zijn.

In Efeze 3 vers 10 lezen we dat Jezus de gemeente heeft uitgekozen om aan de wereld de veelvuldige wijsheid van God bekend te maken. Jezus zelf is het hoofd van de gemeente, en wij zijn onderdeel van Zijn lichaam.

En in het Lichaam van Jezus, de gemeente, leven wij. Het is de plek waar wij gevoed worden, waar er voor ons gezorgd wordt als we in geestelijke of materiële nood zitten, het is de plek waar we bij elkaar komen om met elkaar Jezus te zichtbaar maken, zodat de wereld, Jezus door ons heen ziet. De Here Jezus wil nog steeds dat er mensen fulltime het Koninkrijk dienen. In Lukas 10 zegt Hij, de oogst is groot en de arbeiders zijn weinig. Hoe kunnen er arbeiders zijn als er geen geld is? Het is het verlangen van Jezus dat er mensen naar Zijn gemeente omkijken.

Laat ouderlingen die goed leiding geven, dubbele eer waard geacht worden, vooral diegene die arbeiden in het Woord en in de leer. Want de Schrijft zegt: Een dorsende os mag u niet muilkorven, en de arbeider is zijn loon waard. (1 Timotheüs 5:17)

Want in de wet van Mozes staat geschreven: U mag een dorsende os niet muilbanden. Bekommert God Zich alleen maar om de ossen? Of zegt Hij dit vooral om ons? Jawel, om ons is geschreven dat wie ploegt, in hoop hoort te ploegen, en dat wie in hoop dorst, het deel waarop hij hoopt, hoort te krijgen. Als wij bij u het geestelijke gezaaid hebben, is het dan te veel als wij van u het stoffelijke oogsten? Als anderen aan dit recht over u deelhebben, waarom wij niet des te meer? Wij hebben echter van dit recht geen gebruikt gemaakt, maar wij verdragen alles, opdat wij geen enkele hindernis opwerpen voor het Evangelie van Christus. Weet u niet dat zij die de tempeldienst verrichten, van het heilige eten? En dat zij die steeds bij het altaar verkeren, hun deel ontvangen van de offers van het altaar? Zo heeft de Heere ook met het oog op hen die het Evangelie verkondigen, opgedragen dat zij van het Evangelie leven. (1 Korinthe 9:9-14)

Hier legt Paulus dus eerst uit hoe de Levieten in de tempel werkten en dat dit ook nu geld voor degene die het Evangelie verspreiden. En hoe wil God het Evangelie bekendmaken aan overheden en de machten van de wereld? DOOR DE GEMEENTE!

Hoe kan de gemeente groeien in volwassenheid? Hoe kunnen er werkers aangenomen worden, zodat het Evangelie verder kan groeien. Er moeten mensen vrijgemaakt kunnen worden om anderen te discipelen, om mensen toe te rusten, om pastoraal naar mensen om te kijken. Maar hoe kan een gemeente dat doen als er geen geld is? Daarom geven wij onze tienden.

Tot slot, je mag je tienden niet geven omdat je je verplicht voelt door een leider of door wetmatigheid. We leven niet onder de wet. Als je worstelt met het geven van je tienden aan de gemeente, vraag of God je duidelijk maakt waarom je worstelt. Ik hoop en bid dat je de noodzaak ziet van een gezonde gemeente, dat geld nooit de rem zal zijn om het Koninkrijk te zien groeien, zowel in het zien van de redding van mensen als in het discipelen maken van mensen.

In 2 Korinthe 9 vers 6-7 staat:

Bedenk dit als je iets wil geven: iemand die zuinig zaait, zal ook weinig oogsten. En iemand die veel zaait zal ook veel oogsten. Iedereen moet zelf besluiten hoeveel hij wil geven. En laat hij dan van harte geven, zonder tegenzin of dwang. God houdt van mensen die met een blij hart geven.

[1] 1 Korinthe 6:19

[2] Efeze 2:21